Vorige maand kondigden wij de samenwerking tussen BeBright en de Arrangementenmonitor aan. Wij bundelen onze expertises om partijen die de transformatie van zorg en ondersteuning in de regio mogelijk moeten maken beter te kunnen ondersteunen. Een van de analyse-instrumenten die we inzetten is een effectmeting van interventies.

Goede afstemming in ketenprocessen en de inzet van de juiste interventies is daarbij van groot belang en steeds vaker komen er vraagstukken naar voren om hier goed zicht op te krijgen. Vaak zijn analyses die hiervoor worden ingezet te grofmazig. Om de effecten van het ingezette beleid te meten worden veelal de data op de gehele cliëntgroep geanalyseerd. Dit laat echter een te algemeen beeld zien. De algemene trends (stijging van aantal jeugdigen met jeugdhulp) ontneemt het zicht op het effect van specifieke interventies (minder verwijzingen naar jeugdhulp door de POH Jeugd). Door de macht der getallen vallen de effecten van deze specifieke interventie weg.

Praktijkvoorbeeld: effectmeting POH Jeugd

Sinds 2015 zijn gemeenten (financieel) verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De toegang naar jeugdhulp is met deze stelselwijziging echter niet veranderd. Ouders en jeugdigen kunnen zich, naast de nieuwe gemeentelijke toegang (jeugdteams, wijkteams), nog steeds wenden tot de huisarts of gecertificeerde instellingen voor een verwijzing naar jeugdhulp.  Hiermee hebben de gemeenten geen grip op de toegang en kosten van de geïndiceerde jeugdzorg, via de huisarts naar met name Jeugd GGZ (“de zogenaamde achterdeur”).

Gemeenten zijn dan ook sinds 2015 bezig om de verwijzing naar jeugdzorg anders in te richten, waarbij verwijzing naar preventievere en lichtere vormen van jeugdhulp (b.v. begeleiding en opvoedhulp) centraal staat. In sommige gemeenten worden praktijkondersteuners jeugd bij de huisarts (POH Jeugd) ingezet, die de eerste screening doen bij vragen van jeugdigen en ouders, daar waar mogelijk zelf met een kortdurende begeleiding helpen en indien nodig verwijzen naar de geïndiceerde jeugdzorg.

Vijf jaar naar de decentralisaties blijkt echter dat het aantal jeugdigen met jeugdhulp in nagenoeg alle gemeenten met ca. 10% gestegen is. Ook in de gemeenten die de POH Jeugd hebben ingezet. Veel gemeenten kampen dan ook met grote tekorten op de jeugdzorg. Is deze aanpak, c.q. interventie dan mislukt? Een goede analyses en effectmeting van de interventie is noodzakelijk om hierop antwoord te geven.

Analyses van interventie laat effect zien

Om de daadwerkelijke resultaten van de POH Jeugd inzichtelijk te maken zal dus ingezoomd moeten worden op gegevens vanuit de interventie zelf. Zo is in de Arrangementenmonitor voor een gemeente inzichtelijk gemaakt hoe de hulpvragen via de POH Jeugd opgepakt worden. Dit laat zien dat meer dan de helft van de hulpvragen/cases door de POH Jeugd zelf succesvol zijn afgesloten met gemiddeld ca. 6 sessies. Slechts 28% is naar Jeugd-GGZ en 8% naar geïndiceerde Jeugdhulp doorverwezen. Dit geldt voor alle soorten hulpvragen.

De doelstelling van de POH Jeugd zijn dus ruimschoots gehaald: een aanzienlijk deel van de jeugdigen, die voorheen “automatisch” werden doorverwezen door de huisarts naar geïndiceerde jeugdzorg, wordt nu met een relatieve lichte interventie (begeleiding door POH Jeugd) geholpen

Benieuwd wat BeBright en de Arrangementenmonitor voor uw regio kunnen betekenen? Neem contact op met Arjo Mans (arjo.mans@bebright.eu) of Maarten Thönissen (info@arrangementenmonitor.nl).